Montaigne

of de kunst om niet te sterven

 

Ann Meskens, 

uit Meesterstukken, Lemniscaat.

 

*

 

Filosofie is een oefening in sterven. Dat echoot men Plato tenminste al eeuwenlang na. Maar leert de filosofie ons ook te overleven als iemand anders sterft van wie we denken dat we niet zonder kunnen? Ook hier denk je allereerst: hoe oefenen we in iets dat maar één keer kan gebeuren?

De dag dat mijn moeder doodging, snoot mijn grootvader luidruchtig zijn neus om vervolgens de zakdoek opengevouwen op zijn bijna kale hoofd te leggen. Zo bleef hij onbeweeglijk naast het bed zitten, alsof ook aan zijn leven een einde kwam. Het was een handeling waarvan hij zich niet bewust was. Ik zat aan de andere kant van het bed en dacht aan hoe hij pas nog in die zakdoek had gesnoten en dat hij dat al snel moest beseffen. 

Mijn grootvader kon deze dochter maar een keer kwijtraken, al had hij in zijn leven erg geoefend in verliezen. Ook ik had slechts deze moeder - hoe had ik me, jong nog, kunnen oefenen in haar sterven? Noch mijn grootvader, noch ik had trouwens ooit van filosofie gehoord.

In zijn Echeiridion (een handboekje met wijsheden voor als ze ons niet te binnen schieten op momenten dat we ze nodig hebben) zegt de Romeinse filosoof Epictetus dat we onze geliefden moeten omhelzen, in het besef dat ze net als de vazen in ons huis snel kunnen breken. Alle mensen zijn sterfelijk, jawel, maar beseffen dat degene die je ademloos bemint even later werkelijk kan stoppen met ademen, kan het leven ook verlammen.

Zowel leven als sterven laat zich slecht oefenen. Het gebeurt onmiddellijk al te echt. En dikwijls raken we bij een overlijden vooral verdwaasd. Het is een trucje van de natuur, een milde verdoving na de zware slag. De tijd stopt, de ruimte krimpt, er blijft een doffe stilte, roerloosheid. Mijn grootvader bedekte zijn hoofd met een zakdoek, ikzelf kon een tijdlang enkel denken: ademde mijn moeder uit om niet meer in te ademen, of ademde ze een laatste keer in om nooit meer uit te ademen?

Helpt het als we later een god smeken voor de levenden en de doden te zorgen, of als we weten dat er opnieuw voorjaar in de lucht zal zijn of een spitsvondige wijsheid van een of andere filosoof? Niet echt en niet onmiddellijk, maar misschien is het beter dan niets. Rouw is allereerst uithouden. 

 

Maar het verhaal gaat dat toen Psammenitus, de koning van Egypte, verslagen en gevangen genomen door Cambsises, de koning van Perzië, zijn dochter als gevangene in slavinnenkleren voor zich voorbij zag lopen, uitgestuurd om water te putten, hij rustig bleef, zonder een woord te zeggen en met zijn ogen star op de grond gericht, terwijl al zijn vrienden rondom huilden en weeklaagden, en in diezelfde houding volhardde, toen hij onmiddellijk daarop ook nog zag dat men zijn zoon naar zijn executie bracht; maar toen hij gezien had dat een van zijn vertrouwelingen onder de gevangenen werd meegevoerd, begon hij zich tegen het hoofd te slaan en de diepst mogelijke smart te tonen. (…) (Toen) Cambsises bij Psammenitus informeerde waarom hij onbewogen bleef bij het ongeluk van zijn zoon en dochter, en zo weinig zelfbeheersing toonde bij dat van een van zijn vrienden, antwoordde hij: ‘Dat komt omdat alleen dat laatste verdriet met tranen geuit kan worden, terwijl de eerste twee ieder uitdrukkingsmiddel verre te boven gaan.’

‘Op diezelfde gedachte stoelde wellicht de inval van de schilder uit de oudheid die de smart van de aanwezigen bij het offer van Iphigeneia moest uitbeelden in overeenstemming met de mate waarin ieder van hen door de dood van dat mooie onschuldige meisje werd aangegrepen. Toen hij al zijn artistiek vermogen daarin had uitgeput en de vader aan de beurt kwam, schilderde hij diens gezicht toegedekt, alsof geen enkele gelaatsuitdrukking deze graad van smart kon uitbeelden. Ziedaar waarom de dichters het zo voorstellen dat die ongelukkige moeder Niobe, die eerst zeven zonen en daarna achtereenvolgens evenzovele dochters verloren had en dus overladen was met verliezen, uiteindelijk in een rots veranderde, 

diriguisse malis,

als versteend door haar smart

(Ovidius, Metamorfosen VI, 304),

 

om uitdrukking te geven aan de treurige, sprakeloze, doffe verbijstering die ons verlamt wanneer we overweldigd worden door rampen die onze draagkracht te boven gaan.

Ja waarlijk, als een verdriet extreem hard aankomt, brengt het onvermijdelijk de gehele psyche tot verbijstering en beneemt haar de vrijheid van handelen: zoals ons wel overkomt, wanneer we plotseling overvallen worden door heel slecht nieuws: we voelen ons beklemd, als het ware verlamd in onze bewegingen, zodat de geest, wanneer we ons tenslotte in klachten en tranen laten gaan, zich lijkt los te maken en uit de knoop te raken en zich ruimte en vrijheid lijkt te geven. (I,2)

*

Wanneer de Fransman Etienne de La Boétie in 1563 sterft, zit Michel de Montaigne aan zijn sterfbed. Het is drie uur, woensdagochtend, 18 augustus. Dat schrijft Montaigne de ochtend daarop in een brief aan zijn vader. La Boétie heeft 32 jaar, 9 maanden en 17 dagen geleefd, rekent hij uit. Of hijzelf huilde of zich heldhaftig hield in zijn verdriet, beschrijft hij niet. Het is zijn bedoeling de grootheid van La Boétie te verwoorden.

Montaigne had zijn vriend maar vier jaar gekend. De drie jaar oudere dichter en humanist was zijn collega in het parlement van Bordeaux. Toch zagen ze elkaar pas ‘toevallig op een grote feestelijke bijeenkomst en het werd een vriendschap die zo volmaakt en totaal was, dat je iets dergelijks in de literatuur beslist niet gauw zult tegenkomen’ (II,28).

La Boétie stierf dan ook pas nadat hij Montaignes naam nog had gemurmeld. Een smerige dysenterie had hem in korte tijd volledig uitgeput. Hij bezweek eraan. Montaigne was bijna heel de tijd, met gevaar voor besmetting, dicht bij hem gebleven. Hij bleef achter met als enige troost wat zijn vriend hem naliet. Een nalatenschap, volgens La Boétie te klein om de vriendschap uit te drukken, maar toch gepast omdat Montaigne zo van de letteren hield. Mijn bibliotheek zal ‘une souvenir de votre compagnon’ zijn, had hij Montaigne nog op het hart gedrukt.

Op dat moment had Montaigne nog geen letter geschreven van de Essais die hem beroemd zouden maken als geen ander uit die woelige zestiende eeuw. Een bizar omvangrijk boek (bestaande uit de delen I, II en III) waarin commentatoren nog altijd geïmponeerd lezen, terwijl ze zich afvragen wat hiervan de bedoeling kon zijn. Een enkel boek, maar met meer dan honderd hoofdstukken die zowel filosofische als alledaagse titels dragen, vlaggen die niet altijd hun lading dekken: ‘Over de kracht van de verbeelding’, Niet doen alsof men ziek is’, ‘over postrijden’, ‘Over de gewoonte niet altijd kleren te dragen’… Wij noemen ze intussen de essays van Montaigne, maar Montaigne noemde ze zelf nog ‘les chapitres’, hoofdstukken van het ene boek Essais. Hij hermuntte een Oudfrans woord, ook omdat wat hij schreef in geen enkel bestaand literair genre paste. Zijn schrijven had voor hem blijkbaar iets van essais: pogingen, proeven, probeersels, oefeningen dus. Maar oefeningen in wat en met welk doel?

Wat ik ook zijn moge. Ik wil het niet alleen op papier zijn. Mijn kunst en talent heb ik gebruikt om mij zelf iets waard te laten zijn; en mijn studie niet om te leren schrijven maar om te leren handelen. Ik heb al mijn streven erop gericht vorm te geven aan mijn leven. Dat is mijn beroep en dat is mijn werk. Ik ben alles meer dan een boekenschrijver. Ik heb iets willen presteren omdat het essentieel is voor mijn huidig welzijn, niet om het op te slaan en voor mijn erfgenamen te bewaren.

Wie iets van waarde in zich heeft, laat hij dat tonen in zijn gedrag, in zijn alledaagse conversatie, in de manier waarop hij liefheeft en ruzie maakt, in het spel, in bed, aan tafel en in het afhandelen van zijn zakelijke en huishoudelijke aangelegenheden. Zij die in slechte broeken goede boeken schrijven, hadden als ze het mij gevraagd hadden, eerst hun broeken moeten maken. (II, 37)

Maar als het op sterven aankomt, de grootste taak die wij te vervullen hebben, kan oefening ons niet helpen. Tegen pijn, schande, armoede en soortgelijke ongelukkige omstandigheden kan men zich door gewenning en ervaring wapenen. Maar de dood kunnen we maar eenmaal beproeven. Als we daartoe komen, is ieder van ons een beginneling. (…)

Toch geloof ik dat er een of andere manier is om ons met de dood vertrouwd te maken en hem enigszins te beproeven. (En hier volgt het verslag van Montaigne die zijn slapen becommentarieert en de dag dat hij bewusteloos viel.)

Want inderdaad concludeer ik dat men om met de dood vertrouwd te raken, er alleen maar dichtbij hoeft te komen. Welnu, zoals Plinius zegt is ieder mens voor zichzelf een goede leerschool, als hij maar het vermogen heeft zich nauwlettend gade te slaan. Dit is geen theorie maar een oefening voor me. Het is geen les voor anderen, maar voor mijzelf. (II,5)

Stop een filosoof in een kooi van dun, grofmazig ijzerdraad en hang hem hoog aan de torens van onze Notre Dame in Parijs. Om evidente redenen zal hij inzien dat hij onmogelijk kan vallen en toch zal hij (als hij niet een geoefend dakbedekker is) niet kunnen verhinderen dat hij, als hij van die enorme hoogte naar beneden kijkt, verstijft van schrik. (II,12)

 

*

Ik herinner me dat een enkele zin van Stephen Toulmin me had verleid om bij mijn eindwerk filosofie voor Montaigne te kiezen: ‘Als wij aan de hemelpoort komen en de kans krijgen ons voor eeuwig te vestigen op dezelfde wolk als Erasmus en Rabelais, Shakespeare en Montaigne, dan zullen (denk ik) maar weinigen van ons eisen dat we in plaats daarvan voor altijd worden opgesloten met René Descartes, Isaac Newton en de exact denkende maar minder vrolijke genieën van de zeventiende eeuw.’ Een eindwerk schrijven leek me een eeuwigheid dus ik koos ervoor om samen met Montaigne op dezelfde wolk te zitten.

Maar toen ik de essays in handen had, en wel in de Pléiade-editie, wilde ik het dure boek die eerste tijd geregeld uit het raam gooien. Het eindeloze Oudfranse gebabbel over alles en nog wat ontmoedigde me, het voortdurend geciteer deed me twijfelen. Dit oorspronkelijke werk herbergde maar even 1264 Latijnse ontleningen en ongeveer 800 andere citaten. Afbakening leek niet te helpen. Het essay met de filosofisch interessante titel ‘Over de kracht van de verbeelding’ verhaalde over mannen die toen ze het in hun hoofd haalden dat ze impotent waren, het ook werkelijk werden. Het had Freud vermoedelijk geïnspireerd, maar wat moest ik ermee?

Ik voorvoelde ook dat elk commentaar ontoereikend zou zijn, want al is Essais één enkel boek, in zijn complexiteit leek het op heel veel boeken samen. Dat betekende, vond ik, dat ik dat ene boek minstens van begin tot einde moest lezen, le tout Montaigne. Ik telde een beetje wanhopig 107 essays, maar al vlug ging het een andere richting uit.

Geen enkele Montaigne-kenner ontkomt eraan en ik grinnik nog steeds ik er een in handen krijg. Montaigne schreef de essays in een straf vlot taaltje en direct naar de lezer toe, zodat de meeste commentatoren zich erg aangesproken voelen en doen alsof ze de beste vriend van Montaigne zijn. Verder babbelt Montaigne over wat dan ook, om even later het tegendeel te beweren, om er weer later op terug te komen, om het uiteindelijk onbeslist te laten... Het werk biedt na vierhonderd jaar en minstens zo veel commentatoren nog altijd veel ruimte voor eigen interpretatie. Ook ik ontsnapte er niet aan, al verontschuldigde ik me en wees naar grote Montaigne-lezers die het ook niet konden helpen. 

Het was intussen uitgesloten dat ik het boek nog ooit het raam uit zou gooien - het lag op het nachtkastje, dicht bij mij. Aangestoken door Montaignes vrolijkheid, mildheid en eerlijkheid schreef ik een eindwerk filosofie dat overborrelde van plezier. En toch.

En toch schreef ik ook over doodgaan en verder leven.

Toen ik later iemand over Montaigne vertelde, vroeg die waar ik Montaigne dan wel had ontmoet, om verbaasd te reageren: ‘Oh, die man is dood, ik dacht dat je het over een nieuwe vriend had.’ Tja.

Wat is het waardoor een tekst jou entert, en waardoor je hem jaren later nog altijd achter je aansleept?

Dit, lezer, is een eerlijk boek.

(Voorwoord)

*

Op 28 februari 1571 wordt Montaigne 38 jaar oud. Hij bewoont inmiddels met zijn vrouw het familie-chateau, beoefende een deftig ambt en heeft aimabele vrienden. Maar de dood van Etienne de La Boétie schrijnt nog na, de geërfde woonst zorgt sinds zijn vaders dood voor saaie verplichtingen, en de godsdienstgekte en het politieke geweld verzieken zijn werk. Liever zou hij op zijn leeftijd in een van de robuuste torens van zijn landgoed wat verpozen. Een stoel om te lezen is hem genoeg, een tafel om aantekeningen te maken, een duizendtal boeken: Horatius, Sextus Empiricus, Lucretius, Plato, Vergilius,… en de lievelingscitaten, gekerfd in de houten balken van het plafond. 

Op de muur van zijn studeerkamer staat de dag van zijn beslissing te lezen: ’L’àn du Christ 1571, âge de trente-huit ans’, en verder dat hij, zijn publieke diensten beu maar nog beschikkend over al zijn krachten, zijn leven in de schoot van de muzen wil doorbrengen, ‘à sa liberté, à sa tranquillité, à ses loisirs’. Onder deze woorden staat echter een andere (minder vaak geciteerde tekst): ‘Beroofd van de dierbaarste, schranderste, beminnelijkste en volmaaktste vriend’, en ook dat Montaigne uit dankbaarheid voor de wederzijdse liefde de bibliotheek aan hem opdraagt.

Montaigne had intussen met moeite het weinige werk van La Boétie uitgegeven, maar het verlies bleef wegen. Is het toevallig dat Montaigne de traditionele humanistische afzondering verkoos? La Boétie was humanist par excellence, meer nog dan Montaigne. Hij was zijn grote voorbeeld: de belezen humanist, de getalenteerde dichter, de deugdzame mens, vriend en mentor tezamen. ‘Faisons-en tous deux l’essai’, had hij Montaigne gevraagd, laat ons op klassieke wijze samen de deugd oefenen.

Maar Montaigne was lichtvoetiger geweest dan La Boétie. Jong en driftig had hij veel geld uitgegeven en onstuimig getrouwde vrouwen achternagelopen. Hij had weinig oren naar zijn vriend, die hem al eens het huwelijk had aangepraat opdat hij niet door een of andere jaloerse echtgenoot zou worden ontmand. De deugd, ach, de moeilijke deugd.

La Boétie was de vriend die hem eerlijk op zijn plaats zette, de filosoof met wie hij kon redetwisten, de wijze humanist die zijn levenspad verlichtte. Montaigne was, schreef hij, zozeer gewend in alles één van de twee te zijn, dat het na La Boéties dood leek of hij een half mens geworden was: ‘Ik wil zeggen: als ik dit hele leven nu vergelijk met de vier jaren waarin het me vergund was van de heerlijke vertrouwdheid en samenhorigheid met deze persoon te genieten, is het louter rook, niet meer dan een donkere vreugdeloze nacht.’ (I, 28) Terwijl Montaigne in zijn Essais gedurig nuanceert, moet elke relativering wegvallen als het La Boétie betreft. Wanneer hij bedenkt waarom hij van zijn vriend hield, voelt hij dat het alleen kan worden uitgedrukt door: ‘Omdat hij het was, omdat ik het was.’ (I,28)

Misschien wilde Montaigne in zijn toren het afgebroken gesprek met zijn vriend voortzetten. ‘faisons-en tous deux l’essai’, of minsten proberen een soort innerlijk gesprek aan te knopen. Schrijven kan op een bizarre manier die mogelijkheid geven, al blijft het onvoldoende en roept het de ander niet terug. Toch kun je, denk ik, Montaignes schrijven ook zien als een weigeren van het verlies, een plaatsvervangend gesprek, een ongerijmde poging tot…

In de Essais staat nergens met veel woorden uitgelegd waarom Montaigne daar en toen in zijn kamertje begon te schrijven. Misschien was het hem ook niet duidelijk, al zijn er verzuchtingen die naar het verdriet om La Boétie wijzen. Ergens te midden van duizenden zinnen staat dat een melancholische stemming hem tot schrijven dreef, ‘een stemming van zwaarmoedigheid, een stemming die dus zeer strijdig is met mijn natuurlijke geaardheid en veroorzaakt werd door de treurnis van het eenzame bestaan waarin ik me enkele jaren geleden geworpen heb, waardoor ik me de illusie in het hoofd heb gehaald me met schrijven in te laten.’ (II,8)

Maar dat schrijven greep hem aan en Montaigne zou al snel blijven schrijven, ‘zolang er inkt en papier op de wereld was’. Hij noemde z’n geschrijf echter graag gepraat, gebabbel, geklets…alsof er bij hem in de kamer een vriend was met wie hij à l’aise van gedachten kon wisselen. Waarover zouden twee mannen in die tijd gepraat hebben? Over de kracht van hun verbeelding, over niet doen alsof men ziek was, over postrijden, over de gewoonte niet altijd kleren te dragen…

De vele citaten in de Essais zou je inderdaad kunnen interpreteren als een stem die beaamt of tegenspreekt. Klinkt hier La Boéties stem? Het zou kunnen. Montaigne schreef de ontleningen over uit de dierbare nalatenschap. De boeken van zijn vriend lagen voor hem. Hij las enkele zinnen, woog ze op hun betekenis, legde ze behoedzaam in de eigen tekst: ‘Zal ik je weer spreken? Of zal ik je stem nooit horen?’(Horatius) Zo sloop er misschien die typische montaigneske toon in zijn tekst. Een toon waardoor je soms zin hebt de Essais te sluiten en bij de man zelf op bezoek te gaan. Om onder een simpele kastanjeboom over het leven te praten, over de dood, over hoe je alweer de herfst ruikt.

Al in het voorwoord staat dat Montaigne wilde dat de lezer hem in zijn gewone doen zag, eenvoudig en natuurlijk, zonder gezochtheid en gekunsteldheid. Dat is de manier waarop La Boétie hem zag. En dat is de manier waarop hij zich opnieuw wil tonen, aan de lezer en mogelijk aan een vriend die hem opnieuw zou passen. Het verlangen naar een vriend is de cri de coeur die door de essays heen regelmatig te horen is. Het is moeilijk om als lezer ongevoelig te blijven.

Want voor de vreugde van een passend en aangenaam gezelschap is mijns inziens geen prijs te hoog. O, een vriend! (III,9) 

*

Veel meer dan over de dood van anderen, schreven de oude filosofen over de eigen dood. Ik weet niet goed waarom. Kozen ze liever voor extreme situaties omdat hun denken meer houvast vond bij uitersten: mijn waarheid/mijn leugen, mijn leven/mijn dood? Of omdat ze spitsvondiger konden zijn? ‘Als de dood er is, ben ik er niet meer, zolang ik er ben, is de dood er niet.’ Zo sprak de Griekse filosoof Epicurus. Goed bedacht, maar in de jij-vorm geeft het minder troost. Dat de dood er zal zijn, en daardoor de geliefde niet meer, is juist de kwestie.

Denken over de dood van iemand anders is misschien moeilijker, omdat er minstens twee mensen bij betrokken zijn: degene die doodgaat en degene die achterblijft. En omdat er al drie tijden zijn waarmee je rekening moet houden: het leven met iemand, het sterven en het overleven erna. Ach, en het maakt zoveel verschil wie de ander is die overlijdt. Over wie praten we nog als we het filosofisch hebben over de dood van De Ander?

Montaigne las er de vroege ethici op na en hun ethiek was uitgesproken individueel. Vooral de eigen dood stemde hun tot nadenken en het ging om de moed die dood onder ogen te zien. Wat de dood van de ander betrof, wist Montaigne dat de stoïcijnse houding de flinkste was, maar de stoïcijnse onverschilligheid deed hem huiveren. Wat moest hij? Intussen was de rouw vooral een zaak van Gods pastoors geworden, veel meer dan van het eigen denken, en hij putte weinig troost uit het geloof. Het humanisme had de mens groter gemaakt en daardoor was God weer kleiner geworden.

Al kon Montaigne omkijken naar klassieke tijden, hij moest in zichzelf een manier vinden om met de dingen om te gaan. De populaire boekjes op de markt over hoe te sterven, de artes moriendi, toonden dat er meer mensen uit zijn tijd onzeker waren. Het was een nieuwe melancholie, één die nooit meer zou overgaan, die in Montaignes tijd de dood aankleefde. De barokmens kon hopen op een uitgesteld leven in de hemel, of hij kon voor alle zekerheid het aardse leven hier en nu omhelzen - het maakte weinig verschil. De adem van de dood blies in zijn nek. Toch besefte hij ook dat de dood als enige op kon tegen alle veranderingen die hij in zichzelf en rondom zichzelf zag. En de eigen, eigenste dood was het hoogst persoonlijke, iets dat niemand hem kon afnemen. Dit heeft Montaigne misschien kunnen troosten.

Toen La Boétie zijn eigen dood stierf, bleef Montaigne achter met literatuur en filosofie. Filosofie is geen troost, al wordt vaak van haar verlangd dat ze dat wel is - maar voor Montaigne maakte het niet uit. Waar filosofie troost kon zijn, moest ze het maar zijn, vond hij. Zijn gelukkige aard, het verglijden van de tijd en ook heel wat filosofie heelden de pijn, zodat hij niet heel zijn leven over La Boétie hoefde te blijven schrijven. Hij leerde dat het leven opnieuw zijn gang gaat, ook al is er het meest verschrikkelijke gebeurd.

Montaigne was in die zin nog ver van de Romantiek verwijderd, waarin het bon ton werd de geliefden te betreuren en te blijven betreuren. Heel wat dweperige mort-de-toi-essays en indroevige verhalen moesten nog worden geschreven. Misschien zelfs meer dan dat er verdriet zou zijn. Ze zouden de Essais nauwelijks gelijken.

Rouwen is, meer nog dan sterven, ingebed in tijd en plaats. La Boétie stierf in een andere tijd dan Seneca, mijn moeder in een andere tijd dan die van Montaigne. Klassieke, barokke, postmoderne tijden? Wanneer was er het minst verdriet?

Een tijdje nadat mijn moeder was gestorven, ging mijn grootvader zelf maar dood, hij had er tenslotte de leeftijd voor. Toen hij met de laatste pruimen op weg was naar de markt, stond zijn hart in één tel stil.

Mijn eigen hart is nog jong, al betekent dat niets.

Wij hebben intussen veel cynisme, nog meer teevee, een gedicht van Hugo Claus of praatgroepen vol wanhoop. We hebben Freud als we willen begrijpen wat ons overkomt. Ik heb gelukkig ook Montaigne, als er iemand doodgaat en de wereld leger wordt dan zij was. En de hemel, waar de goden zijn buiten geveegd, is ook leeg. En de troost is zoals zo vaak ver te zoeken. Dan kun je net zo goed iemand lezen die er een kunst van maakte om niet te sterven van verdriet. 

En het moet gezegd: hij heeft talent om vriend te zijn.